woensdag 23 december 2020

Annet Huizing - Het Pungelhuis

De Kinderboekenweek in oktober met als thema ‘En toen?’ stond in het teken van geschiedenis. Boeken brengen de historie tot leven, maken wat voorbij is tastbaar. Daarbij komt: menig schrijver voelt zich aangetrokken tot het verleden. Dat blijkt, want in mijn blog komen geregeld historische romans voorbij, vaak verdraaid goed geschreven. Uitgeverij Lemniscaat loopt al decennia lang voorop. Met schrijvers als Thea Beckman, Simone van der Vlugt en Joyce Pool, specialisten in het historische jeugdverhaal, bouwde de Rotterdamse uitgever een goede naam op en verwierf zij een stevige reputatie die zich allang niet meer beperkt tot alleen het geschiedenisverhaal.

Hierna aandacht voor een prachtig verhaal over het smokkelen van boter in de vorige eeuw, wederom een Lemniscaatuitgave.

Pungelen

Pungelen betekent smokkelen en dat is ook het onderwerp van het nieuwste boek van schrijfster Annet Huizing. Het verhaal is een hedendaagse geschiedenis met als historische achtergrond de botersmokkel aan het begin van de tweede helft van de vorige eeuw.

Het draait allemaal om Ole, de dertienjarige hoofdpersoon. De ouders van Ole zijn al behoorlijk op leeftijd en het lijkt daarom logisch dat hij nooit een oma of opa heeft gekend. Maar al in het eerste hoofdstuk blijkt de vader van Ole niet eerlijk te zijn geweest. Hij heeft voor zijn zoon al die tijd verzwegen dat diens grootvader nog wel degelijk in leven was. Was, want nu is hij overleden en hij laat een huis achter in Brabant, dichtbij de grens met België. Als niet veel later blijkt dat opa ook nog een flinke schuld achterliet, zit er voor het gezin dat zich plotsklaps geplaatst ziet voor grote financiële problemen niets anders op dan te verhuizen naar het Brabantse Orpel. Ole en zijn vader zeggen Utrecht vaarwel. Met z’n tweeën, want de wat zweverige moeder vertrekt naar Tibet voor een ontdekkingsreis van honderd dagen op zoek naar zichzelf. ‘M’n moeder is ook niet helemaal zoals een ander.’ (p. 28)

Het vette goud

Eenmaal aangekomen in het sterk verwaarloosde huis in Orpel komt Ole, mede dankzij de ontmoetingen met enkele dorpsgenoten meer aan de weet over zijn familiegeschiedenis. Geholpen door een klasgenoot, de Poolse Anastazja, gaat Ole op onderzoek uit en zo komt de opa die hij nooit heeft gekend langzaam weer tot leven. Rooie Piet bleek een fanatiek pungelaar. Niet voor niets stond het huis dat hij bewoonde in de volksmond bekend als ‘Het Pungelhuis’. In de jaren vijftig en zestig van de twintigste eeuw smokkelde hij roomboter de grens met België over om zo te ontkomen aan de torenhoge invoerrechten die de Belgische overheid hief om de Belgische boeren beter te beschermen tegen de groeiende Hollandse boterberg. Er werd grof geld verdiend aan deze lucratieve, illegale handel en de strijd tussen de botersmokkelaars en de commiezen was er een van leven op dood.Langzaam maar zeker beseft Ole waarom zijn vader nooit over zijn opa wilde praten. En hij leert tegelijkertijd ook de soms wat moeizame relatie met zijn eigen vader beter te begrijpen.

Veel hooi op haar vork

Dat Annet Huizing (1960) prachtig kan schrijven bewees ze eerder met Hoe ik per ongeluk een boek schreef (Lemniscaat, 2014) en een informatief boek over de werking van de rechtspraak in ons land, getiteld De zweetvoetenman (Lemniscaat, 2017). Beide titels werden bekroond met een Zilveren Griffel. Ook Het Pungelhuis is weer een parel. Als je kijkt naar de compositie dan valt op dat de schrijfster wel erg veel heeft willen vertellen. Daar is niet alleen de verhaallijn over de moeilijke jeugd van Oles vader en diens broer, de gehandicapte Arie. Maar daar zijn ook nog de verhalen over de moeizame relatie tussen Ole en zijn vader, de smokkelgeschiedenis en de helingsreis van Oles moeder naar Tibet. En dan komen er nog enkele kleurrijke personages in het verhaal voorbij waaronder de Ierse Gary, Anastazja en de Vlaamse pottenbakster Pola. Het is allemaal wat veel in deze geschiedenis van nog geen 180 pagina’s. Het is daarom niet vreemd dat de hoofdpersoon oppervlakkig blijft. Huizen had meer aandacht kunnen geven aan de ontwikkeling die Ole doormaakt. Het is de enige kritiek op een verder voortreffelijk verhaal dat bijzonder aangenaam leest, mede dankzij de vlotte stijl, het verzorgde taalgebruik en de dikwijls levendige dialogen. Een aanrader voor lezers in de onderbouw.


Huizing, A. (2020) Het Pungelhuis. Rotterdam: Uitgeverij Lemniscaat bv. Isbn  978 90 477 1251 0  € 19,95, 192 blz.

zondag 20 december 2020

Mireille Geus - Mijn dagen met Niets

Ik lig op bed in mijn kamer, in mijn eentje. Natuurlijk in mijn eentje. Zoals de laatste tijd altijd.
‘Hallo Elshontely,’ zeg ik.
‘Hallo Elshontely,’ antwoord ik. Mijn vader en moeder vonden dit de mooiste Surinaamse naam die ze konden verzinnen. (p. 7)

De wereld van Elshontely, tien jaar oud, is klein. Er waart een epidemie rond en ze is vanwege haar astma veroordeeld tot de besloten ruimte van het huis waar ze woont. Het is een krappe flat, acht hoog, die ze deelt met haar moeder Ebony die druk is met het naaien van mondkapjes en die zelf in het berghok slaapt. Elshontely’s vader komt nauwelijks nog thuis. Hij werkt in de verpleging en hij maakt lange dagen nu het steeds drukker wordt in de ziekenhuizen. Uit voorzorg, bang om zijn kwetsbare dochter te besmetten, logeert hij voorlopig in een tuinhuis bij zijn ouders. Elshontely mist hem enorm.

De dagen rijgen zich aaneen zonder dat er veel gebeurt. De school is dicht en na afloop van de online les begint de rest van de dag waarin Elshontely in twee uurtjes haar huiswerk afheeft. En tja, hoe kom je de tijd dan door? Elshonteley begint het leven toch wel een beetje saai te vinden, ook al doet haar moeder enorm haar best haar met pannenkoeken bakken en spelletjes te vermaken. Beeldbellen met opa en oma valt ook niet mee, omdat haar grootouders niet goed snappen hoe het werkt.

Maar dan komt haar moeder met een verrassing. Ze schenkt Elshontely een stok met een touw eraan. Aan het eind bungelt een stukje brood. Elshonteley gaat naar buiten en gooit haar hengel uit over de balustrade. Ze krijgt beet en ze doet de vangst van haar leven. Ze vangt…  Niets.

Ik begrijp niet waarom mijn moeder een soort van blij is. ‘Ik bedoel: ik zie niets.’

‘Precies,’ zegt mijn moeder nu echt blij. ‘Ik begrijp dat je haar Niets wilt noemen, prima. Ze is niet zo groot, maar ze is ook nog maar een baby. (p. 24)

Niets heeft vleugels die lijken op parelmoer, net als haar ogen, zes poten, veren en een staart. In het begin slaapt ze heel veel, zoals alle baby’s.

Elshontely stort zich in de weken die volgen volledig op de verzorging van Niets die een enorme groeispurt doormaakt. Niets te eten geven, Niets achter een balletje aan laten rennen, Niets borstelen, Niets knuffelen… . Ze heeft het er maar druk mee. En ondertussen blijft Niets groeien.

Als aan het eind van het verhaal Elroy, Elshontely’s vader, plotsklaps voor de deur staat, verbaast hij zich over de enorme leegte in de flat. De meubels zijn weggehaald zodat Niets meer ruimte heeft. Het is duidelijk. Niets is te groot geworden en Elshontely begrijpt wat er moet gebeuren.

 ‘Ik weet wat we moeten doen,’ zeg ik en ik laat een belangrijke stilte vallen. ‘Niets moet de ruimte krijgen, ze is een grote meid. Ze moet bij ons weg. Toch?’ (p. 99)

Niets vertrekt zoals ze ook is gekomen. Buiten op de galerij slaat ze haar vleugels uit en ze vliegt vanaf de balustrade de wijde wereld in. Elshontely’s vader ontdekt op de grond een prachtige parelmoeren veer die herinnert aan haar bestaan.


Mireille Geus (Amsterdam, 1964) schrijft haar hele leven al, voor kinderen van alle leeftijden en volwassenen. Ze helpt als schrijfcoach ook nieuwe schrijvers hun stem te vinden. Met Big (Lemniscaat, 2005) sleepte ze in 2006 de Gouden Griffel in de wacht.

Mijn dagen met Niets is een verhaal dat zich afspeelt in Coronatijd. Op YouTube staat een kort filmpje waarin Mireille Geus uitlegt hoe ze op het idee kwam het boek te schrijven.

De geschiedenis is een ultieme ode aan de verbeeldingskracht. De schrijfster laat op een buitengewoon originele manier zien hoe de hoofdpersonen zich dankzij een rijke gedachtewereld en de nodige fantasie door een eenzame en miserabele periode in hun leven slaan. Teder, herkenbaar, grappig en gevat weet Geus de lezer te raken in een verhaal dat ontroert door zijn puurheid en eenvoud. Wat is Mireille Geus toch een begaafd verteller. Echt grote klasse!


Geus, M. (2020) Mijn dagen met niets. Rotterdam: Uitgeverij Lemniscaat bv. Isbn  978 90 477 1278 7  € 14,95, 110 blz.

Kevin Crossley-Holland - Noorse sagen

Wie de regenboogbrug naar Midgard oversteekt, betreedt een wereld van groene vlaktes en ijzige gletsjers. Daar stelt Odin het verstand van de rotsreus Tangler op de proef, en begroet Frigg een sterveling in haar oogverblindende kristallen grot. Maar wie is nu echt de machtigste god of godin van Asgard?

Na Noorse mythen (Lemniscaat, 2018) komen de goden van de Vikingen andermaal tot leven in een nieuw boek van Kevin Crossley-Holland. We lezen in deze wonderbaarlijke, bloedstollende Vikingmythen en IJslandse spookverhalen hoe Odin en de Noorse goden en godinnen magische kunsten uithalen, terwijl sluwe dwergen, bergtrollen en andere bovennatuurlijke wezens door het land struinen.

De inmiddels bejaarde schrijver (geboren 1941) is in zijn eigen land Groot-Brittannië een icoon. Hij is een vermaard vertaler, dichter en auteur van jeugdboeken. Zijn beroemdste werken zijn de verhalen in de bij Lemniscaat verschenen Arthur-trilogie.

De volksverhalen in Noorse sagen bezitten volgens de auteur ook een zekere relevantie, te weten de wetenschap dat we allemaal het kind zijn van onze ouders. ‘We erven nogal wat van ze, goede en minder goede dingen die we moeten accepteren als we opgroeien en volwassen worden’, aldus Crossley-Holland in het voorwoord. (p. 8)

Margaretha van Andel weet de taal van Kevin Crossley-Holland, waar de listen doorheen sijpelen, de goden in bulderen en het bloed vanaf druipt, weergaloos in het Nederlands te vangen. En de duistere illustraties vol spanning en schaduwen van Jeffrey Alan Love slepen je mee in de vreemde wereld van oude magie, reuzen, dwergen en monsters. Huiver en geniet!


Crossley-Holland, K. (2020) Noorse sagen. Voorbij de regenboogbrug. Illustraties van Jeffrey Alan Love. Oorspronkelijke titel: Norse tales. Stories from Across the Rainbow Bridge. Uit het Engels vertaald door Margaretha van Andel. Rotterdam: Uitgeverij Lemniscaat bv. Isbn  978 90 477 1229 9  € 20,94, 96 blz.

Daan Remmerts de Vries- Helden

Bij Uitgeverij Lannoo verscheen een prachtige, luxe vormgegeven bundel met daarin opgenomen de mooiste Griekse mythen in een hervertelling door Daan Remmerts de Vries. In Helden laat de schrijver de lezer dwalen door de wereld van het oude Griekenland, drieduizend jaar geleden. Avontuur bestond nog! Er waren cyclopen, centaurs, troepen krijgsvrouwen en geheimzinnige doolhoven. Op reis gaan was dan ook een onderneming. En het was de vraag of je er ook van zou terugkeren.

Toch trokken sommige jonge mannen eropuit. En niet onopgemerkt. De daden van mannen met namen als Perseus, Herakles en Jason, werden bezongen door dichters, denkers en schrijvers. Die oude verhalen beschrijven fabelachtige gebeurtenissen, van mensen die onvoorstelbare dingen meemaakten.

Maar het grootste wonder is misschien wel dat wij, na al die tijd, nog steeds kunnen lezen over hun belevenissen - op een hedendaagse en geestige manier herverteld.

 Daan Remmerts de Vries (1962) is een gevierd auteur en illustrator. Hij schrijft zowel voor kinderen als volwassenen en hij ontving voor zijn werk meerdere Gouden en Zilveren Griffels. De zwierige en sfeervolle prenten in Helden zijn van de hand van Sebastiaan van Doninck, een succesvol illustrator wiens werk meermaals werd bekroond met een Boekenpluim en een Vlag en Wimpel.


Remmerts de Vries, D. (2020) Helden. De mooiste Griekse mythen herverteld. Illustraties van Sebastiaan van Doninck. Tielt: Uitgeverij Lannoo nv. Isbn 978 94 014 5389 9 € 29,99, 135 blz.


zaterdag 10 oktober 2020

Robin Raven - De laatste reis van Garoeda

Robin Raven (Haarlem, 1962) schreef meerdere boeken over Nederlands-Indië. Hij is een echte verhalenverteller en met Strijd in het regenwoud (2007), een historisch jeugdverhaal over het naoorlogse Nederlands-Indië waar de Indonesiërs strijden voor hun vrijheid, werd hij zelfs genomineerd voor de Thea Beckmanprijs, de prijs voor het beste historische jeugdboek. In 2011 verscheen van hem een hedendaags verhaal over een jongen met het syndroom van asperger (Olifanten in mijn kop) en in 2015 en in 2017 volgden Het geheim van de magische X-app en Het geheim van de gouden hagedis, twee avontuurlijke verhalen bedoeld voor met name de jongere lezers.

Dit jaar keerde Robin Raven terug naar zijn roots en vond hij de inspiratie voor een jeugdroman waarin hij opnieuw de verbinding zoekt met zijn Indische afkomst. Het bleek een gelukkige keuze, want De laatste reis van Garoeda is wat mij betreft het beste van wat Raven tot nog toe schreef, een boek waarin alles op zijn plaats valt en waarmee de auteur laat zien dat zijn schrijftalent volledig tot wasdom is gekomen.


Een uitgebreide samenvatting van het verhaal

De geschiedenis begint in Bandoeng in het jaar 1942. Daar woont Meiske (roepnaam voor Elske Getruda Maria de Jong), elf jaar oud, met haar vier jaar oudere broer Jan en haar ouders. Het is Meiskes verjaardag die slecht begint, omdat ze zojuist is ontwaakt  uit een nachtmerrie. Het wordt het begin van een bijzondere dag. Nog diezelfde ochtend heeft Meiske in de tuin bij de vijver – voor haar een verboden plek -  een onverwachte ontmoeting met een onbekende jongen van haar leeftijd. Meiske noemt de jongen David, omdat hij evenals de Bijbelse figuur in het bezit is van een katapult. David is anders. Dat zie je direct aan zijn donker gekleurde linkeroog, diepzwart van de pupil tot en met de iris en het oogvlies eromheen. Later in het verhaal zal Meiske deze geheimzinnige verschijning Boetje noemen.

Naarmate de dag vordert, wordt al snel duidelijk dat iedereen Meiskes verjaardag lijkt te zijn vergeten. Paatje, haar vader, is alleen maar humeurig en mammie en Jan zitten bij tante Jetske. De gebeurtenissen keren gelukkig enigszins ten goede wanneer Jan haar een miniatuurbeeldje schenkt van Garoeda, de gevederde vogelgod. Het beeldje moet haar beschermen. Jan noemt het dan ook een geluksbrenger.

 

Boze kabouters

In de dagen die volgen, lezen we hoe in Bandoeng de sfeer als gevolg van een Japanse invasie  snel  grimmiger wordt.

 Bandoeng is bezet. Door Japanners. Vreemdelingen uit het noorden. Boze kabouters die een hekel hebben aan mensen uit Nederland. (p. 53)

De Indonesische bevolking zet zich in toenemende mate af, niet alleen tegen de hardwerkende Chinezen, maar ook tegen de Nederlanders. De bezetters wakkeren de nationalistische gevoelens van de Indonesiërs verder aan en het wordt er voor de Nederlanders niet veiliger op. Er gaan verhalen over onthoofdingen en Meiske en Jan zien met eigen ogen hoe Japanse soldaten hun buurman oom Allard met stokken mishandelen.

Jan en paatje verdwijnen, net als veel andere mannen, van het ene op het andere moment van het toneel. Meiske mist haar broer enorm en ze vindt vaker troost bij Boetje. De andere kinderen mijden Boetje vanwege zijn donkere oog.

Op een dag worden Meiske, haar moeder en alle andere vrouwen door de Japanners overgebracht naar een wijk, omheind met prikkeldraad. Daar, onder mensonterende omstandigheden, worden  Boetje en het beeldje van Garoeda steeds belangrijker voor Meiske. Ze geven haar, ondanks alle gruwelijkheden en ontberingen, kracht en moed.

 

Andjin Belanda. Pergi! Pergi!

In het tweede deel van De laatste reis van Garoeda maken we een tijdsprong van drie jaar naar het laatste oorlogsjaar 1945. De Japanners hebben zich overgegeven en met medewerking van het Rode Kruis wordt het vrouwenkamp ontruimd. Meiske en haar moeder worden herenigd met Jan. Paatje heeft de oorlog niet overleefd. Wat volgt is een lange en gevaarlijke reis via meerdere kampongs terug naar Bandoeng.

Het politieke klimaat is voor altijd veranderd. Het nieuwe credo is ‘Merdeka Indonesia’. Een meerderheid van de Indonesische bevolking keert zich nu openlijk tegen de Nederlanders. Leuzen als ‘Andjin Belanda. Pergi! Pergi!’ (‘Nederlandse hond. Ga weg! Ga weg!’) zijn niet van de lucht. Het is duidelijk dat Meiske de steun van Boetje en Garoeda nog lang niet kan missen.

Terug in Bandoeng blijkt het ouderlijk huis van Meiske veranderd in een bouwval. De situatie wordt onhoudbaar als de plaatselijke Javaanse vrijheidsstrijders zich keren tegen Meiske en de haren. ze vinden tijdelijk onderdak in het huis van een oud-verzetsstrijder, meneer Molenaar. Van daaruit reizen ze verder naar Batavia waar de boot wacht voor de overtocht naar Holland. Soekarno heeft de strijd gewonnen. De Nederlanders hebben geen toekomst meer in Indonesië. Desalniettemin blijft maatje samen met oom Arnold achter op de kade wanneer het schip afmeert voor de lange reis naar Nederland. Later zal blijken dat maatje een kind van hem verwacht. 

Tijdens de overtocht wordt Meiske ernstig ziek. De doodzieke Meiske gaat in quarantaine en ze wordt bijna gek van eenzaamheid. Zelfs Boetje laat niets meer van zich horen.

Zodra Meiske weer is aangesterkt komen de verhalen. Jan blijkt te worstelen met een groot schuldcomplex. Hij voelt zich schuldig over de dood van zijn vader die door de Japanners werd gedood nadat hij de schuld op zich nam van iets wat Jan had gedaan: het stelen van een stuk fruit.

Meiske komt ook aan de weet dat zij een tweelingbroertje had. Hij stierf door zuurstofgebrek vlak na de geboorte en hij werd in stilte begraven bij dezelfde vijver waar Meiske haar eerste ontmoeting had met David. Zijn naam was Boetje en hij ligt begraven onder een naamloze steen.

Op de kade in Amsterdam nemen Meiske en Boetje afscheid van elkaar. Meiske gaat mee met een oom en tante bij wie een nieuw leven op haar wacht.

 

Formidabel

Robin Raven schreef een formidabel boek, gebaseerd op historische feiten. De lezer maakt alle gebeurtenissen  mee door de ogen van Meiske en dat geeft deze geschiedenis een bijzondere sfeer. De hoofdpersoon ziet de wereld om zich heen ingrijpend veranderen. Alle zekerheden die Meiske had, vallen weg en het is nauwelijks te bevatten wat dit doet met een jong kind.

De wijze waarop Raven de hoofdpersoon portretteert, dwingt respect af. Hij spaart de lezer niet als het gaat om alle ontberingen die Meiske en haar familie moeten doorstaan. Zonder in te zoomen op details valt er voor de oplettende lezer tussen de regels door veel te ontdekken. Het fragment bijvoorbeeld waarin we lezen hoe tante Jetske steeds vaker haar tijd doorbrengt in het huis van de Japanse kampcommandant. Om schoon te maken volgens mammie.

De kabouters zijn heel vies. (…) Daarom rilt tante zo. Van afschuw. (p.77)

Maar uiteraard gebeuren er in het huis van de commandant heel andere dingen

Subtiel en onderhuids bouwt de schrijver de spanning op in prachtige taal met ogenschijnlijk eenvoudige zinnen die een enorme kracht en veelzeggendheid verbergen. Zoals de beschrijving van Meiskes ervaring in een ruimte in het kamp die dient als lijkenhuis.

De bevroren gezichten kijken allemaal een andere kant op. Wezenloos, alsof ze niet doorhebben dat ze samen in de onderwereld zijn beland. (…)

Ineens beseft Meiske waarom ze in het kamp nooit nachtmerries heeft over de Seetan. Hij hoeft haar niet meer te halen. Ze is er al. Ze was zojuist eregast in de troonzaal van het Kwaad. Omringd door dode mensen en het orkest van het ongedierte. (p. 102-103)

 

Een denkbeeldig persoon

Meiske vindt de nodige steun bij Boetje. De aandachtige lezer weet, evenals de mensen in haar omgeving, dat Boetje niet echt is. Hij is slechts een denkbeeldig persoon, een kind dat enkel leeft in haar hoofd. In het slot wordt duidelijk dat Boetje daadwerkelijk kort heeft bestaan.

Ook het miniatuurbeeldje van Garoeda geeft Meiske houvast.

Eenmaal aangekomen in Nederland daalt er een zekere rust neer op de hoofdpersoon en durft zij Boetje en Garoeda los te laten. Mooi is de manier waarop Raven dat verwoordt, hoe Boetje uit haar leven verdwijnt.

Het opvoeren van een imaginair verhaalfiguur zagen we eerder in Sabel (Hoogland & Van Klaveren, 2017) van Susanne Wouda. In deze indrukwekkende jeugdroman maken we kennis met de joodse jongen Max, die tijdens de Duitse bezetting van Nederland samen met zijn familie wordt opgepakt en belandt in Kamp Vught. Daar heeft Max één houvast: Sabel, zijn rode kater. De werkelijkheid is dat hij het dier al was kwijtgeraakt op het moment dat hij door de nazi’s op transport werd gezet.

Door de ogen van zowel Meiske als Max zien we de wereld steeds kleiner worden. Beiden klampen zich vast aan kleine, alledaagse zaken en datgene wat hen vertrouwd is.

Als kers op de taart is De laatste reis van Garoeda voorzien van een bijzonder fraaie omslagillustratie van Peter van Dongen, getekend in de stijl van de klare lijn, de tekenstijl zoals Hergé, de geestelijk vader van Kuifje, die ooit hanteerde.

Werkelijk alles klopt in deze verzorgde uitgave. De laatste reis van Garoeda is zonder enige twijfel een juweel van een verhaal. Stilistisch buitengewoon sterk. Raven op z’n best!


Een aanrader voor de meer ervaren lezer van twaalf jaar en ouder.

 

Raven, R. (2020) De laatste reis van Garoeda. Utrecht: Uitgeverij Omniboek. Isbn  978 94 019 1645 5  € 19,99, 240 blz.

zaterdag 5 september 2020

Maren Stoffels - Ik moet dit doen

 

Maren Stoffels (Amsterdam, 1988) liet zich voor haar nieuwste boek inspireren door het televisieprogramma Levenslang met dwang. Na enkele goed ontvangen YA-thrillers waaronder Escape room (Leopold, 2017) en Fright Night (Leopold, 2018) schreef ze een meer realistisch verhaal over jongeren van wie het leven volledig wordt beheerst door een dwangstoornis.

De belangrijkste personages in Ik moet dit doen zijn Simon en Jasmijn. Simon is op een obsessieve manier bezig alles te controleren en hij ontwijkt bepaalde getallen. Jasmijn is een meisje met een extreme vorm van smetvrees. De twee ontmoeten elkaar tijdens de Waag-weken, een therapeutisch zomerkamp voor jongeren met dwanggedrag op een van de Waddeneilanden.

Bijna iedereen heeft wel eens last van dwanggedachten, het idee dat je perse iets moet doen. Bij herhaling controleren bijvoorbeeld of je de deur wel goed hebt afgesloten. Of dat je niet op de lijnen wil stappen tussen de plavuizen of de stoeptegels. De verhaalfiguren in Ik moet dit doen echter schieten volledig door. Zo is Simon ervan overtuigd dat er mensen sterven zodra hij niet luistert naar de stem in zijn hoofd, een imaginaire persoon die Simon vasthoudt in een alles verstikkende wurggreep. Jasmijn heeft haar bagage omwikkeld met folie en slaapt op vuilniszakken om maar niet in aanraking te hoeven komen met het beddengoed. Omar is altijd en overal te laat omdat hij er perfect uit wil zien. En Rosa eet enkel chips, omdat ze al het andere eten niet veilig vindt, bang om vergiftigd te worden.

Op boerderij De Lieshout van Paula en Quinten worden deze en nog twee andere jongeren begeleid door Inge en Danny en leren ze gedurende veertien dagen op een confronterende manier, onder meer via exposure-therapie, om te gaan met hun dwangneuroses. Dit gaat uiteraard bepaald niet vanzelf en met name Simon maakt het zichzelf en de anderen zo lastig dat hij na een incident tijdens een uitstapje met de bus dreigt naar huis te worden gestuurd. Zo ver komt het uiteindelijk niet. Tijdens een zoekactie naar een weggelopen Jasmijn, speelt Simon een cruciale rol en daarbij lukt het hem zelfs zijn eigen dwang tijdelijk te parkeren.

De jongeren in Ik moet dit doen zijn allen buitenbeentjes. Dwang isoleert je volgens Danny, ervaringsdeskundige omdat hij als kind ooit zelf deelnemer was aan de Waag-weken. Maar in De Lieshout trekken de jongeren langzaam maar zeker steeds verder naar elkaar toe.

‘Voor een buitenstaander zullen we een stel gekken lijken. Een groepje idioten. Misschien heeft Inge gelijk en zijn wij de enigen die elkaar snappen’, aldus Simon (p. 147) in het slot van het verhaal. Eenmaal gekomen tot dit besef wint de solidariteit het van het onderlinge wantrouwen en is de basis gelegd voor verbroedering, alsmede de acceptatie van hulp bij het beheersbaar maken van alle stoornissen.

Maren Stoffels bedacht een fascinerend verhaal over een onderwerp waarover in de jeugdliteratuur feitelijk nog weinig geschreven is. Toegegeven: niet alle lezers zullen zich herkennen in de bijzondere situaties en het extreme gedrag van de verhaalfiguren. Dat neemt niet weg dat dwanggedachten in de puberteit geregeld voorkomen. U kent ze ongetwijfeld uit eigen ervaring, de leerlingen met een eetstoornis of de een of andere vorm van controledwang. Bij sommigen nemen de dwangverschijnselen dermate extreme vormen aan dat professionele hulp niet uit mag blijven. Het is daarom goed dat Stoffels met deze jeugdroman de problematiek op een rake en laagdrempelige manier bespreekbaar maakt.


Stoffels, M. (2020) Ik moet dit doen. Amsterdam: Uitgeverij Leopold. Isbn  978 90 258 7897 0  € 15,99, 163 blz.

woensdag 12 augustus 2020

Ben Davis - Alles wat ik nog met Gizmo wil doen

Ik begraaf mijn neus in Gizmo’s kriebelige vacht en sla mijn armen om hem heen. Op een dag, binnenkort, kan ik hem niet meer knuffelen of uitlaten. Ik moet Gizmo een laatste, onvergetelijke tijd bezorgen.

De dertienjarige Lukas heeft het niet makkelijk. Zijn ouders zijn uit elkaar en sindsdien heeft hij last van paniekaanvallen. Lukas is gestart  op de middelbare school en hij ervaart dat het leven van een brugpieper best ingewikkeld is, zeker als het aankomt op het aangaan en onderhouden van vriendschappen. Lukas lijkt steeds de verkeerde keuzes te maken. En zijn beste vriend Max gedraagt zich plotseling totaal anders. Hij kiest partij voor de meer populaire jongeren in de klas, een vervelend groepje dat er blijkbaar behagen in schept Lukas voortdurend te kleineren en hem belachelijk te maken.

Gelukkig krijgt Lukas onvoorwaardelijke steun van Gizmo, een kruising borderterriër. Maar Gizmo is al oud, veertien jaar om precies te zijn. Als Gizmo gevloerd wordt door een stevige infectie lukt het de dierenarts nog om die met antibiotica te bedwingen. Maar hij heeft ook minder goed nieuws. Gizmo’s kwaliteit van leven zal vanaf nu snel achteruitgaan. ‘Dus maak er nog wat moois van met hem’, zo luidt de boodschap van de arts.

Dat brengt Lukas op het idee een bucketlist op te stellen voor zijn hond, om samen leuke dingen te gaan doen. Zo wil hij nog een keer kamperen, nog één avontuur beleven als wonderjongen en wonderhond (personages gebaseerd op Lukas en Gizmo), een ijsje eten, naar een feest gaan en de grote heuvel aan de andere kant van de stad beklimmen. Maar misschien is de bucketlist er ook wel een beetje voor Lukas zelf, om uit te vinden hoe hij straks verder moet zonder zijn maatje…

Ben Davis schreef grappen en sketches voor radioprogramma’s voordat hij schrijver werd van jeugdboeken. Hij woont met zijn vrouw en zoon in Staffordshire (Verenigd Koninkrijk). Net als Lukas heeft Ben zelf ook een bijzondere hond: Tommie, die deels model stond voor Gizmo.

Alles wat ik nog met Gizmo wil doen is een hartverwarmend relaas over de innige band tussen een jongen en zijn hond. Het verhaal is ontroerend en hilarisch tegelijkertijd. De schrijver laat op een knappe en integere manier zien dat humor een krachtig wapen is in de strijd tegen verlies en verdriet.

Een aardige vondst zijn de telkens terugkerende beschouwingen in het boek, opgetekend vanuit het perspectief van Gizmo. Zo maakt Davis de lezer deelgenoot van de gedachten van Lukas’ hond en dat geeft de geschiedenis een hele bijzondere sfeer. Wat mij betreft een absolute aanrader voor jong en oud!

Op YouTube staat overigens een alleraardigst filmpje waarin Ben Davis zelf alle dingen van de bucketlist doet met zijn hond. Zoek op ‘what's that in dog years ben davis’.


Davis, B. (2020) Alles wat ik nog met Gizmo wil doen. De bucketlist van mijn hond. Oorspronkelijke titel: What’s That in Dog Years? Vertaling: Emiel de Wild. Amsterdam: Uitgeverij Leopold. Isbn 978 90 258 7887 0 € 17,99, 216 blz.